De eerste vergadering van Dispuut no 1 wordt geopend door den leider van de vergadering, den Heer F. van Smeden, waarna hij leest ps. 113. Hij spreekt een welkomstwoord uit en hoopt, dat dit dispuut het beste van de drie nieuwen worden zal. Als abactis fungeert tijdelijk de Heer B.G. Dijken, terwijl de Heer F. Schut de functie van fiscus-assessor bekleedt.
[B.G. Dijken en F. van Smeden waren van 1941, waren lid van het dispuut Caïna en studeerden resp. Geneeskunde en Rechten. F. Schut was van 1940, het dispuut Amabo en hij studeerde Geneeskunde]
(later alsnog aangevuld, na een discussie in de 2e vergadering:)
De Heer van Smeden merkt op dat hij tot de klasse behoort, die als studenten de oorlog hebben meegemaakt en dat ze zo niet van het echte studentenleven hebben kunnen genieten. Maar met de leden van dit dispuut is het anders. De leden zijn na de oorlog student geworden en hebben nu de gelegenheid om weer een echte studentenmaatschappij op te richten.
De ledenlijst wordt gecontroleerd en het blijkt dat de leden G.J. van den Bosch, Colenbrander en J. Kale de vergadering niet belangrijk genoeg achtten, om die bij te wonen.
De “leider van de vergadering” benoemt nu een stemcommissie om te komen tot het institueren van een bestuur.
In deze commissie nemen zitting de Heren R.B. Kuipers en P. van der Zee. Voor de stemming voor de functie van praeses behaalt H. Homan 8 stemmen, H. Niemeijer 1 stem. De Heer Homan neemt de benoeming aan, waarna de Heer Smeding de leiding van de vergadering overdraagt aan den Heer Homan. De Heer Homan houdt nu een ambtaanvaardingsrede, die van een groot redenaarstalent getuigt. Hij spreekt eveneens zijn stellige verwachting uit dat dit dispuut het beste zal worden van de drie nieuwen. Tevens bedankt hij den heer van Smeden voor het vele werk, dat hij deze avond geheel belangeloos voor het dispuut verricht.
De nu volgende stemming voor ab-actis heeft het volgende resultaat: P. van der Zee 6 stemmen, R.B. Kuipers 4 stemmen en H. Niemeijer 1 stem..
De Heer van der Zee neemt zijn benoeming aan. De praeses dechargeert den Heer B.G. Dijken onder dankzegging voor zijn vele en belangrijke werkzaamheden in het belang van het dispuut verricht en installeert den Heer van der Zee als ab-actis.
Alles loopt zeer vlot deze avond, wat den Heer Dijken de vraag ontlokt, of het dispuut loops is. Hij zou graag zien dat er een commissie benoemd werd, die deze zaak zal onderzoeken. Geen der leden blijkt hier voor te zijn. Bij de nu volgende stemming voor fiscus-assessor wordt het volgende dubbeltal opgemaakt bestaande uit de Heren R.B. Kuipers en H. Dam.
De Heer Dijken stelt voor om de beide candidaten een verkiezingsrede te laten houden.
De Heer Kuipers begint zijn rede als volgt: “Door de nood gedwongen houd ik deze rede”. In het vervolg van zijn rede probeert hij de amici duidelijk te maken, dat hij niet voor redenaar geschikt is. De Heer Dijken werpt zich op als souffleur en adviseert Kuipers de voordelen van bolle en de koe de amici onder de ogen te brengen opdat ze Kuipers hun stem zullen geven.
Hierna geeft de praeses het woord aan de tweede candidaat, den Heer Dam. De strekking van zijn betoog is, dat de Heer Kuipers zeer geschikt is voor het baantje. Hij hoopt dat de amici dit ook zullen inzien en hun stem zullen geven aan de Heer Kuipers.
De Heer Schut stelt voor om een nieuwe stemcommissie te benoemen, omdat de Heer Kuipers niet geheel onbevooroordeeld is. Ook de praeses ziet dit in en hij dechargeert de stemcommissie en benoemt een nieuwe commissie waarin zitting nemen de Heren Eskes en Koster. De Heer Niemeijer ziet de vergadering gaarne enige minute geschorst om een wat hij een “pispauze” noemt te houden.
Daar de vergadering van mening is, dat het kiezen van het bestuur een belangrijker bezigheid is dan een pispauze, wordt deze pauze verschoven tot na de verkiezing. De stemming voor fiscus-assessor heeft het volgende resultaat: Kuipers 7 stemmen en Dam 4 stemmen. Het aantal stemmen dat de Heer Kuipers behaald heeft is volgens verschillende leden niet genoeg, zij voeren een debat over het meerderheidsprobleem, maar komen later tot de overtuiging dat de Heer Kuipers stemmen genoeg behaald heeft. De Heer Kuipers neemt zijn benoeming aan. De Heer Schut verklaart dat hij geen overeenkomst ziet in het aannemen van de benoeming en zijn verkiezingsrede. De praeses ziet de oplossing in het verschil tussen bewustzijn en onderbewustzijn. De rede is bewust en de benoeming is onbewust aangenomen. De Heer Schut noemt deze verklaring zich met een vloek en een zucht af maken van een zeer belangrijke kwestie.
De Heer van Smeden blijkt zeer verschrikt te zijn want hij springt op en valt den Heer Schut in de rede met de vraag of de Praeses gevloekt heeft. deze stelt de Heer van Smeden gerust en zegt dat de Heer Schut de uitdrukking zo gebruikt had zodat de klemtoon op vloek viel.
Hij dechargeert de stemcommissie onder dankzegging voor bewezen diensten en schorst de vergadering voor 15 minuten.
Na de pauze stelt de praeses voor om de gastleden de beste zetels te geven opdat ze daarin hun oude en stramme leden kunnen uitstrekken. De Heer Schut komt hier tegen op en beweert dat zij in ’t geheel geen last van stramme ledematen hebben. Ook de andere gastleden protesteren door een honend gehuil aan te heffen. De praeses stelt daarom voor dat iedereen dan maar moet gaan zitten waar hij wil. De Heer Dijken verklaart dat volgens hem de praeses gesplitst is in verschillende opvattingen. De praeses zegt dat hij steeds rechtuit wil.
Volgens de Heer Schut is een zijwaartse uitwijking zo nu en dan wel prettig. De Heer Smeding wijt de uitwijking aan tegenwind, die de praeses ondervindt. De praeses komt op het geniale idee, dat er ook nog andere winden zijn. En de Heer Schut vindt dat er maar eens een onderzoek naar andere winden moet worden gedaan. Hij doet een voorstel om een commissie te benoemen die een experiment voor zal bereiden om de brandbaarheid van sommige soorten winden te onderzoeken.
De Heer Wielinga wil gaarne weten waar de winden vandaan zouden moeten komen. De Heer Dijken komt tot de ontdekking dat hij nieuwe perspectieven ziet en daarom stelt hij voor om dit voorstel in bespreking te geven. Op een vraag van den Heer Wielinga wie als proefpersoon zal fungeren, onthult de praeses dat hij hiervoor een paard wil nemen. De praeses vraagt den Heer Schut om als zeer deskundig persoon een toelichting te geven op zijn voorstel.
Bij de stemming blijken 9 voor dat onderzoek te zijn en 2 tegen. De praeses vraagt verschillende leden om zitting in de commissie te nemen, maar geen der leden voelt hiervoor. Het bestuur besluit daar alle leden weigeren zitting te nemen in de commissie, om het experiment geen doorgang te laten vinden. De Heer Dijken is het niet eens met dat beleid van het bestuur.
Er moet een commissie komen, daar de vergadering dit wenst. De stemming heeft dit uitgewezen. De Heer Dijken besluit zijn rede met de woorden: “De vergadering eist een commissie, dus er moet een komen.”
De praeses begrijpt het betoog van den Heer Dijken niet geheel, maar vindt wel dat er een en ander in zit. De Heer Dijken onderbreekt het antwoord van den praeses met de woorden: “Komt er een commissie, ja of nee?”
De Heren Wielinga, Oosterhuis en de Vries blijken van gedachte veranderd te zijn, want ze nemen nu de benoeming aan om in de commissie plaats te nemen. De praeses installeert de commissie ter onderzoek van brandbare, niet reukloze winden bij het paard, en verzoekt de commissie om verslag over het onderzoek uit te brengen.
Nu brengt de praeses de kwestie van bestuurslinten te berde. De Heer Dijken vraagt waarom linten nodig zijn. Hij vindt ze niet nuttig.
De heer de Vries verlaat de vergadering, daar hij wil pogen de trein van 10:15 te halen.
De Heer Niemeijer stelt voor om grijze linten aan te schaffen. Hij motiveert dit met de opmerking, dat hij grijs een sjieke kleur vindt. Daar de vergadering van mening is dat er linten nodig zijn (10 voor, 0 tegen) merkt de Heer Dijken op dat zijn advies blijkbaar niet gewaardeerd wordt en hij voegt er aan toe dat gastleden niet nodig schijnen te zijn. De gastleden verlaten hierop de vergadering. In de commissie die zal informeren naar de prijzen van grijze linten, nemen zitting de Heren Dam en van der Zee.
Bij de stemming over het al of niet aanschaffen van een notulenboek, zijn 6 voor het kopen en 4 tegen het kopen van zulk een boek.
De Heer Wielinga, die blijkbaar graag knutselt, stelt voor om enige schriften in te binden daar men zo een zeer goedkoop notulenboek verkrijgt. De Heer Niemeijer komt op het [in]genieuze denkbeeld, dat de abactis dit wel doen kan. De Heer Wielinga, die den abactis blijkbaar niet hoog aanslaat als knutselaar, wil, dat de abactis een notulenboek gaat maken en die aan alle leden gaat vertonen zodat de leden uit kunnen spreken of het notulenboek al dan niet geschikt is. Als maximum prijs wil hij stellen 35 cent.
De Heer Mulder vindt, dat de waardigheid van het bestuur wordt aangetast met dit gezwam in de ruimte zoals hij het noemt.
De Heer praeses wil iets goeds achterlaten voor het nageslacht, om te tonen dat we voor het dispuut alles over hebben.
Hij stelt vertrouwen in de kundigheid van den abactis om een eenvoudig doch schoon notulenboek te kopen. De vergadering, onder de indruk van de woorden van den Heer Mulder en van den praeses, spreekt nu haar vertrouwen uit in de kundigheid van den abactis om een notulenboek aan te schaffen.
De Heer Wielinga wil mores instellen en wil dat de vergadering hiervoor regelen zal aangeven.
De praeses is echter van mening, dat zoiets moet groeien en zeker niet geforceerd mag worden. Sprekende over het reglement stelt de praeses voor een reglement te lenen van een bestaand dispuut om zo tot de opstelling van een reglement te komen. Er wordt een commissie benoemd om een ontwerp reglement op te stellen waarin zitting nemen de Heren Mulder, Niemeijer en Eskes. De Heer Eskes meent dat hij geen capaciteiten bezit, maar besluit toch om zitting te nemen. De Heer Koster wil een aparte vergadering om het reglement te bespreken. Bij de bespreking over de naam die het dispuut zal dragen, spreekt de praeses de hoop uit, dat deze naam vastgesteld kan worden op de reglementsvergadering.
Ook de indeling van de vergadering krijgt een beurt. De Heer Niemeijer wil vooral de ernst niet uit het oog verliezen. De Heer Wielinga is het niet met hem eens, hij zegt dat hij uit ervaring spreekt en wil 80% lol en 20% ernst. Volgens spreker krijgt men dan de beste spheer. En om meteen een blijkbaar afschrikwekkend voorbeeld te noemen zegt hij: “We moeten er geen J.V. van maken”. De Heer Niemeijer komt hier tegen op en vertelt dat hij geweest is op een J.V. met een prachtspheer, men vocht er n.l. in de pauze.
Daar alle kwesties niet genoegzaam afgehandeld konden worden zonder aanwezigheid van de gastleden, vaardigt de praeses de Heren Koster en Oosterhuis uit om de gastleden te verzoeken de vergadering met hun aanwezigheid weer te willen verblijden.
De gastleden zijn echter vertrokken.
De Heer Oosterhuis vraagt of we het gebed niet achterwege kunnen laten
Daar de vergadering geen tegenstelling ziet tussen de inhoud van de vergadering en het gebed besluit ze om het verzoek van de Heer Oosterhuis niet in te willigen.
Besloten wordt dat de Heer Niemeijer op de e.k. vergadering een referaat zal houden.
Verder wordt nog besloten dat er een boete van 25 cent zal geheven worden indien een lid zonder kennisgeving op een vergadering afwezig is.