gedichten

Aan ICHNATHON.

Zo gingen die beiden tesamen.

Toen richtten ze in de holle stilte het teken op van hun verbondenheid. En ze dachten: laat de schoen het symbool zijn van de weg die de Eeuwige Wijsheid heeft afgelegd onder Bacchus’ wijnrankend schild van de cultuur van de meikever naar de stad in het kille noorden; en laat het speeksel tonen onze innige verbondenheid, want, zeiden zij, het komt uit ons binnenste. En ze zongen, ongezien en niet gehoord, het lied van verlangen naar de verborgen bron …. En hun weg ging verder.

Maar Aton’s GEEST nam juichend ’t stift
En schreef hun daad met vlammend schrift
In zijn gedenkboek neer.                                           (n.n.)

– o – o – o –

Cogito ergo sum

Soms denk ik wel eens
dat ik gek ben
Ik denk, dus ik ben
Waarom zou ik dan niet gek zijn
als ik denk dat ik gek ben
Natuurlijk ben ik gek

n.n. (toen de redactie de dichter vroeg, waarom hij zijn naam er niet onder wilde hebben, was zijn commentaar: “Ik zal daar een beetje gek zijn”)

– o – o – o

venus

vandaag ontdekte ze zichzelf aan de hemel
maar ze is er niet van ondersteboven
en ik ook niet

zacht leunt haar geurige lichaam tegen me aan
onze monden zoeken elkaar
en niet vergeefs

en venus rept zich langs de hemel
ze mocht morgen eens te laat zijn
en ons niet meer zien

maar wij hebben geen haast met de hele nacht voor ons
onder ons het zachte groene gras
en de stilte rondom ons

c.t.o.

– o – o – o –

En de Ichnathonen, zij maakten zich op, bestegen hunne ijzeren paarden en vertrokken naar het onbekende land. Hun leidsman was de wind, die hen omringde en voortdreef naar het onbestemde. Aangekomen in het land overvloeiende van kievitseieren, raapten zij, bij handen vol.

Hang je op, brave amice. Wij raapten bij Noordwolde en jij was er niet bij.

(variatie op een gezegde van Hendrik IV)

– o – o – o –

.Herfst

Lage luchten.
Wilde ganzen vliegen
in grote vluchten
rumoerig over mij heen.
De weke aarde sopt
onder mijn laarzen.
Ik ruik de natte grond.
Over het grasland schijnt
laag de rode zon.

Twee eenzame paarden
kijken naar mij.
Ze komen naar me toe
als ik ze roep.
Ik voel hun ruige haren,
die hard zijn
van zand en regen.

Als ik de paarden verlaat
is de zon onder.

m.a.h. december 1966

– o – o – o –

N a c h t

Alleen met mezelf loop ik door de stille steeg.
Geen sterveling die mij meer groet.
De straatstenen grijnzen mij toe als schedels.
Voor me, achter me, onder me, …. Alles nacht

Ver boven mijn hoofd flonk’ren de sterren,
Ze vertellen dat het ééns weer “dag” zal zijn.
Maar ach, wat baat mij dat nu?
De dag lijkt zo eindeloos ver.

Ik bleef even staan en luister naar het suizen van de stilte
Een schichtig dier zoekt snel een veilig heenkomen.
Was het een rat? Of misschien een muis?

Stil loop ik door.
De duisternis omvat mij als een zwarte mantel.

Ik voel me zèlf een stukje nacht ….

K.H. Schuur

– o – o – o –

Zacht ligt daar het land,
Onbetreedbaar.
Stil zit ik aan de rand te kijken.
Een gebogen lijn voert
achterwaarts
waar huizen staan
en bomen
en wolken staan er
boven en, zacht bedekt
de zon.

o – o – o

Dit is ons land:
Kromme asfaltweggetjes lopen van dorp
naar dorp langs weggedoken boerderijen.
Op alle vier de horizonnen
staan de torentjes: spitse, stompe en
nog andere.
Aan één horizon ligt de stad met de zon
erboven.
Langs de weg staan jonge kale boompjes en
aan beide zijden loopt een sloot.
Koren staat halfwassen op het land en
elders lopen koeien op het gras.
Leeuweriken jodelen boven ons, kieviten
buitelen over de koeien heen, een moeder-
eend voert haar kroost van sloot naar sloot.

  • o – o – o

fantasie in hoge toonaard
ik vlieg, een vogel boven het land
een zekere richting voel ik me uitgetrokken worden
vaag zie ik de zon, maar we zijn met velen
en voelen samen de richting
nu strijken we neer: voor ons ligt een
groot stuk kaal land en de wind is hard
we talmen, maar hier is ook niets
te beginnen: geen eten en we willen verder
dan zijn enkelen weg en allen volgen we
laag over het land langs een struikje
en over een sloot, dan in de luwte
van een bosje: naar een ander land.

Wim B.

– o – o – o –

Nox tropica

In ’t zweet van ’t warme land van zwart,
Waar hard de zon neervalt van boven,
Doven de goden het gouden licht,
Dat zwicht voor wie haar glans ontroven.

In rouwgewaad komt op: de nacht
Zacht op de voeten van de wind
En vindt een rustpunt in de snelle jacht,
Die wacht als weer de zon haar stralen spint.

In wuivende wouden wacht het wild
En gilt een late scharrelaar
Daar, waar z’als prooi haar bloed verspilt
En stilt de honger van een luipaardpaar.

Geef mij zo’n nacht, zo’n jacht, m’n kind
Verslind en grijp mij als een sarcophaag,
Behaag jezelf en mij, als je me vindt
Bemind’, en maak de zon nog feller dan vandaag

Vader J. Been

– o – o – o –