Alvorens tot de inleiding zelf over te gaan, geeft de inleider zijn eigen visie weer, over het succes van een bepaalde filosofie, die volgens hem een bepaalde tijdgeest weerspiegelt. Zo de huidige existentie-filosofie, welke neerkomt op het in schema brengen en daarmee verdedigen van een alom zich openbarend cultuur-defaitisme.
Een Christen zal zijn eigen tijd moeten zien in het licht van de Bijbel en kan dan in elk tijdperk positief werkzaam zijn.
De geestelijke vader van de existentie-filosofie moeten we zien in de persoon Kierkegaard. Hij gaat van twee principes uit.
1) het bestaan van de mens.
2) het bestaan van God.
Welke twee bij hem naar elkaar toe groeien. Hoe Christen te worden is het probleem van Kierkegaard’s leven. Steeds staan we als mens tegenover die onzekerheid van het bestaan van God.
We kennen God omdat Hij zich als zodanig geopenbaard heeft in de persoon van Jezus Christus. De mens zoekt, zoekt contact met het eeuwige wat het hoogtepunt van zijn geloof inhoudt.
Dat wat we zien van de mens is de eigenlijke mens niet. Dat wat de geschiedenis is, is de geschiedenis niet. Die mens en die geschiedenis zijn veel hoger bepaald, onzichtbaar daar waar het tijdelijke eeuwig wordt. Het gaat er bij Kierkegaard om de weg te vinden, die de mens moet gaan om te komen tot het absolute Gods.
Voor het gaan op die weg onderscheiden we drie stadia: 1) het ethische, 2) het aesthetische en 3) het religieuze.
In tegenstelling tot Hegel, die het geloof redelijk aanvaardbaar wilde maken stelt Kierkegaard de absolute onmogelijkheid, dat dit geloof zich in een denksysteem laat vangen. Het geloof is een onmogelijke mogelijkheid. Het Christelijk leven wordt steeds gekenmerkt door de negatieve activiteit van de zelf-onteindiging als een middel om de zelf-verinnerlijking te bevorderen. Deze zelf-onteindiging houdt op den duur niet minder in dan de bewuste opoffering van het eigen aards bestaan. Op de achtergrond van dit denken staat Kierkegaard’s verbroken verloving met Regina Oesler en zijn vertwijfelde poging, hierover met zich zelf in het reine te komen.
Bespreking:
Praeses hoopt dat het een gezamenlijke bespreking wordt.
Am. Krajenbrink merkt op dat er in de inleiding sprake is van het beïnvloeden van de wijsgeer op ’t dagelijks leven. Zijns inziens beïnvloedt het dagelijks leven de filosofie. Kierkegaard reageert op de problemen van die tijd.
De praeses geeft dit ten dele toe. Het moet meer worden gezien als een wisselwerking. Het geeft waarde aan ’t denken en de filosofie is schuldig aan een bepaalde levenshouding.
Am. Smit zegt dat Kierkegaard altijd van de gedachte uitging, dat het geloof waar was. Ongeloof is gezagsverwerping.
De praeses merkt op dat Kierkegaard streed in ’t vlak van Christen worden, Christen zijn.
Waarop am. Smit zegt dat Kierkegaard nooit de waarheid van het Christendom betwijfeld heeft, maar wel of hij een Christen kon zijn. Dus de religieuze houding. Het zelf verwezenlijken of God laten beslissen. Er zijn dus twee mogelijkheden:
1) ik moet de beslissing nemen.
2) God plaatst mij in ’t religieuze stadium.
Am. Krajenbrink vraagt zich af of Kierkegaard met zijn filosofie op ’t ogenblik voor ons wel iets waard is. Heeft hij in ons persoonlijk leven iets verrijkt?
De praeses geeft daarop te kennen dat dit zeer zeker het geval is. Hij weerde zich tegen het verburgerlijkte Christendom.
Am. Krajenbrink is met het antwoord van de praeses in ’t geheel niet tevreden en herhaalt zijn vraag, wat hij ons heeft mee gegeven.
Waarop de praeses zegt dat hij vooral de nadruk heeft gelegd op de persoonlijke verhouding mens tot God, dus het individuele geloof.
Am. Beetsma merkt op dat de praeses in zijn inleiding alleen de gedachtengang van Kierkegaard heeft besproken en in ’t geheel niet zijn levensloop heeft aangeroerd, wat naar de mening van am. Beetsma belangrijk is om zijn gedachten te kunnen verstaan.
Am. Smit vertelt dan enkele anecdotes.