Aandrift: Welke impulsen drijven de mens tot het beoefenen van wetenschap, als we de maatschappelijke idealen niet beschouwen?
1 Natuurtechnische problemen proberen te beheersen. Dit is toch niet alles.
2 Wetenschap om het weten. Dit is ook geen bevredigend antwoord.
3 Volgens spreker: Ons wetenschappelijk bedrijf wordt eigenlijk gevoed door ons vragen naar eigen wezen (bv zin van het bestaan)
Verwachting: Spreker is zelf gaan studeren om tegenover eigen onzekerheid bevrediging te vinden in de zekerheid van de wiskunde. Door de aard van de vragen was deze echter te beperkt. Bezinning hierop voerde tot het bedrijven van filosofie, wat echter ook partiële bevrediging schonk. De lezing is een poging de uiteindelijke vragen scherp te stellen.
I Zinsvraag. Evenals de zin van het rollen van biljartballen op een tafel slechts te zien is door de biljartende mensen te beschouwen, is alleen een antwoord op de vraag naar de zin van ons bestaan te geven als er een andere zijnswereld (Wezen) is. Als dit Wezen bestaat moet het de volgende trekken vertonen:
1 Het zijn (van mens en wereld) moet in het Wezen zijn opgenomen.
2 Bij het schouwen van het Wezen moeten we niet meer behoefte hebben nog meer zinsvragen te stellen.
Het Wezen kan daarom niet louter rationeel zijn opgebouwd: dit geeft steeds weer aanleiding tot zinsvragen, daar het nog ligt in het vlak van het zijn. Ook kan het niet buiten de relationele sfeer liggen, daar het op rationele vragen antwoord moet geven. Dit voert tot de conclusie: wil ons bestaan zinvol zijn, dan moet ons een ander bestaan, een Wezen geopenbaard worden.
II Immanente critiek. We kunnen zo immanente (“gelijkvloerse”) critiek uitoefenen op bv. Jaspers, die stelt dat de zin van de geschiedenis immanent uit de geschiedenis zelf voortvloeit.
Vakwetenschappen. De vragen naar de volledige waarheid durft de mens vaak niet te stellen. Hier wordt dan al bij voorbaat een antwoord op gegeven waar vanuit men leeft. Men beantwoordt dan alleen vragen op vakwetenschappelijk gebied. Deze zijn ook zeer belangrijk door hun heenwijzen naar en vooruitgrijpen op de laatste vragen. De wetenschap wordt zo in plaats van een spel een ernstige zaak. Het doel van de vakwetenschappen is volgens Einstein het streven naar een algemene theorie; hierachter blijft nog steeds een algemeen mysterie, dat wijst naar de laatste vragen. Gelukkig, volgens spreker, want zonder uiteindelijk mysterie zou de lol er gauw af zijn. Ondanks deze ernst moeten we de vakwetenschappen toch ook niet overschatten: de natuurwetenschappen bevredigen alleen maar binnen een bepaald raam van vragen en in de geesteswetenschappen komt vaak vertroebeling door het vooruit grijpen op het laatste antwoord: wat is de mens?
Alternatief. Het antwoord op de zinsvraag plaatst ons voor een alternatief:
1 Nihilisme: er is niets buiten het zijn. Het bestaan is dan zinloos.
2 Eerlijk Christendom: er is ons een Wezen geopenbaard, waardoor wij de zin van ons bestaan inzien. Verder vragen is ons onmogelijk. De zinsvraag is dus positief opgelost.
III Keus: Geloof. Spreker kiest nu voor het tweede en stelt zijn geloof. God openbaart zich aan ons in de Bijbel (deze is volkomen autoritair) en in de natuur. Christus is de Waarheid en dus het uiteindelijk levend antwoord. Hier tegenover zijn en blijven wij levende vragen naar waarheid. God is en blijft zo de Andere van ons, analoog als bij de liefde. Wij hebben nu de cultuurtaak zo zuiver mogelijk vraag te zijn ten opzichte van God. In de natuur moeten wij dit proberen door met de wetenschap steeds onze vraag zo scherp mogelijk te stellen; dan geeft God zich als antwoord ook zo scherp mogelijk, waardoor de liefdeband sterker wordt.
Het calvinisme zegt vaak te veel vanuit de Bijbel over de natuur, zodat God er niet meer in tot zijn recht kan komen als antwoord op het mysterie, de natuurwetenschap wordt daardoor te technisch gezien en te weinig als cultuuropdracht. We moeten de Bijbel wel lezen om het antwoord beter te kennen. Door het speciale levende karakter van het antwoord bevredigt dit volledig en geeft het geen aanleiding meer tot een zinsvraag. Spreker meent nu ons voldoende voorbereid te hebben op de eigenlijke lezing:
IV Positieve critiek. Het stellen van iets positiefs tegenover de verschillende stromingen in de wijsbegeerte na de afbrekende immanente critiek onder II. Toch houdt hij op dit vruchtbare ogenblik op met spreken, daar hij niet méér tijd van deze bijzondere IXNAΘON-vergadering durft in beslag te nemen.
Bespreking:
Am. Offringa merkt op, dat men volgens deze lezing ook het nihilisme als openbaring kan waarderen. Waar blijft dan de noodzaak voor evangelisatie?
Spreker zegt dat de evangelisatieplicht is, je eigen standpunt aannemelijk te maken. Met echte nihilisten is vaak beter te praten dan met humanisten, daar de eersten evenals de Christenen de eigenlijke vragen durven te stellen, terwijl de humanisten deze zinvraag bedekken in immanente zin, bv. Jaspers.
Am. Bril geeft als zijn mening te kennen, dat de lezing tot aan het stellen van eigen geloof vleselijk denken was. Dit is vijandschap tegenover God.
Spreker zegt dat we wel immanent, dus vleselijk mogen aantonen dat iemand anders fout is als we dat kunnen. Daarna zelf vanuit de openbaring en dus niet logisch meer een positief antwoord geven op de vraag.
Am. Bril koestert wel de hoop, dat de eigenlijke lezing, die nog moest komen voor hem aanvaardbaar zal zijn.
Am. Krajenbrink vindt dat de Christen de taak heeft vanuit het licht van het antwoord zoveel mogelijk van de natuur en van het antwoord te weten te komen.
Spreker zegt dat God de andere is. We kunnen wel van Hem uitgaan. Hij is het eindpunt.
Am. Smit vraagt of het naast Christendom en Nihilisme ook niet een aanvaardbare levenshouding is, te zeggen: “De mens is niet in staat de zinvraag op te lossen. Ik ga de vraag niet uit de weg, maar doe er toch geen uitspraak over of het bestaan wel of niet zinvol is”.
Dit vindt spreker ook wel aanvaardbaar.
Am. Melis vraagt wat volgens spreker bevrediging moet geven bij candidaatsstudie wis- en natuurkunde. Het is het voorportaal waar je door heen moet om tenslotte tot de interessante grensproblemen te komen, zoals de relativiteitstheorie. Hierachter ligt het lokkende mysterie.
Volgens am. Bril is het Wezen niet meteen met God uit de Bijbel te identificeren. Ook Plato kwam tot een Wezen.
Spreker merkt op dat Plato menselijke redenering gebruikte. Hierom onderzoek je ook de zin van het Platonisme. Het Wezen is principieel voor ons onkenbaar, dan alleen door openbaring.