Ontwikkelingen in de Nederlandse politieke partijen (K. Dobben)

Am. Dobben begint met de opsomming van de maatschappelijke veranderingen, die invloed hebben op de vervaging van de verschillen tussen de bestaande partijen. Deze zijn:
1)   differentiatie en integratie. Er heerst een toenemende gescheidenheid op allerlei gebieden, die anderzijds gepaard gaat met eenwording. Zo bv. het verlangen naar een Nederlandse CDU, dat ondenkbaar was vóór de oorlog.
2)  het aflopen van het emancipatieproces, op onderwijsgebied (AR) en t.a.v.  de positie van de arbeiders (SDAP). Dezen hebben langzamerhand wel een juridisch gelijke positie gekregen met de andere bevolkingsklassen, maar nog geen economisch gelijke.
3)  de toeneming van de welvaart. Volgens Prof. Zijlstra zullen eens liberalisme en socialisme samenvallen. Bij het kiezen is men van religieuze overwegingen meer overgegaan op sociaal-economische motieven. Am. Dobben wijst op het standsverschil, dat een samengaan van liberalen en socialisten wel eens moeilijk zou kunnen maken.
4)  de nivellerende werking van de sociale en economische wetenschappen.
5)  de politieke activiteiten van belangengroepen. Deze vertegenwoordigen en gezond stuk volksinvloed – het algemeen belang is het geharmoniseerd groepsbelang. De term pressiegroep is minder juist in dit verband; dit is een apart staande groep, die vaak met geweld wil bereiken, wat ze verlangt.
6)  afhankelijkheid van de buitenlandse politiek.
7)  de opmars van het atheïsme. Wat dit betreft brengt spreker een gezamenlijk communiqué van KVP, ARP en CHU in herinnering. Hij releveert nog de vraagstukken van de rassendiscriminatie (“Vereend achter Verwoerd”) en de atoombewapening en bespreekt daarna de ontwikkelingen in het politieke denken van de verschillende (grote) partijen in Nederland.
PvdA: In deze partij streeft men op het ogenblik naar een pre-Marxistisch utopisme (sic). Na ’30 stopte het zgn. plan-socialisme de invloed van de arbeiders wat af; het geloof in het sneeuwbaleffect van de vanzelf toenemende macht van de arbeidersklasse werd verlaten. Na ’47 en ’59 viel de nadruk op de in de toekomst te verwezenlijken maatschappij(punten). Het eigendom moest niet centraal worden geregeld, de verdeling van de sociale macht werd een belangrijk programmapunt. Dit wijst op een internationale oriëntatie van de PvdA.
VVD: Het beginselprogramma van ’48 is nog niet gewijzigd. De verhouding tegenover overheidsingrijpen is meer positief geworden. Eertijds was Prof. Oud bv. daar geheel en al tegen. De VVD is voor de bevordering en de ontwikkeling van de zelfstandige kracht van het individu. Volgens am. Dobben komen in wezen alleen de sociaal sterkeren aan hun trekken. Evenals de PvdA willen de liberalen een volkspartij vormen; ze zijn allebei tegen de confessionele partijen, die dat eigenlijk al zijn. Am. Dobben meent, dat de VVD om opportunistische redenen stemmenwinst heeft geboekt – getuige het stemmenverlies bij de laatste verkiezingen; hij ziet vooralsnog geen samengaan van PvdA en VVD.
KVP: Deze partij denkt vanuit de tegenstelling natuur-genade. Hierin is de Kerk het belangrijkste gegeven. Hoe langer hoe meer echter onttrekt de politiek zich aan het gezag van de geestelijkheid, terwijl men zich meer met andere kerken bemoeit. Vergelijk dr. Couwenberg’s visie, welke uitgaat van één confessionele partij, waarin expliciet duidelijke stellingen moeten worden vermeden, maar het Christelijk karakter moet blijven. De KVP propageert op ’t ogenblik beperking van de overheidsbemoeiing – een verschuiving van links naar het centrum, die zijn interne moeilijkheden meebrengt.
CHU en ARP:  Beide partijen passen zich aan de welvaartsstaat aan. Het CH-programma van ’51 is aangevuld met een sociaal-economisch program, dat spreekt over progressiviteit, het nieuwe programmabeginsel van de vaagheid. De CHU verzet zich tegen verzuiling en kent geen fractiedwang. Het nieuwe program van de Antirevolutionairen, waaraan 14 jaar is gewerkt, is helaas nog niet aanvaard; er is echter teveel in terug gekeken. De taak, die deze partij zich stelt is meer op te komen voor gerechtigheid; en propageert een zekere deconfessionalisering, die een grotere verdraagzaamheid zal betekenen. De ARP kent dezelfde spanningen als de KVP; eerst was rechts in oppositie, sinds ’59 links. De kiezers zien vooral het verschil socialisme-liberalisme; werknemer-werkgever, zegt am. Dobben, die tot slot vermeldt, dat de SGP ten dele een afsplitsing is van de Anti Revolutionaire Partij en dat het GPV zich keert tegen kernsplitsing en andere zakelijke bezwaren oppert.

Bespreking:
Am. J.G.H. Krajenbrink: “Waarom kent Nederland zoveel partijen? Godsdienstige verschillen zijn er toch ook in het buitenland. Is er in Nederland niet één Christelijke partij mogelijk?”
Am. Dobben: “De veelheid van de Nederlandse partijen schuilt in ’s lands regionalisme, tegenover het absolutisme van bv. Frankrijk en Spanje. Een CDU stuit op principiële, dogmatische verschillen; het RK systeem natuur-genade botst met het protestantse dogma van zonde tegenover genade. Maar op het terrein van bv. de EEG en de SER kunnen deze partijen best samenwerken.
Am. H. Boonstra informeert naar de houding van het GPV t.a.v. Nieuw Guinea.
Spreker: “Deze partij beschouwt Nieuw Guinea als door God te zijn samengevoegd met Nederland; ze verwerpt het principe van de volkssoevereiniteit.”
Am. Dobben zegt zich wat betreft Nieuw Guinea af te vragen, hoe Nederland aan zijn soevereiniteit over dit gebied is gekomen, en ook over Indië. Met de federale republiek Indonesië is indertijd niet over dit gebied gesproken, zegt Nederland. Hier tegenover stelt Indonesië dat het is gekocht van de sultan van Halmaheira en dus bij Indië heeft behoord. Politiek is een zaak van intrigues, stelt praeses, vgl. Ambon.
Am. H.P. Goutbeek: “Waar stemde men voor 1917 op als caususkiezer, toen er nog geen politieke partijen waren?”
Am. Dobben: “Ik ben nog niet aan die zaak toe. Er is nogal wat gedokterd aan die Kiesregeling; er is voor 1917 een districtenstelsel geweest.
Am. J.G.H. Krajenbrink: “Hebben mensen die AOW en andere sociale voorzieningen genieten daar recht op, omdat ze lid zijn van de Nederlandse Staat?”
Spreker antwoordt, dat men het recht heeft als iets wettelijk vastligt, theoretisch misschien niet, en besluit met gerechtigheid: naastenliefde, sociaalvoelendheid.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *