De 2e vergadering op woensdag 12 maart 1947

(Praeses H. Homan, abactis P. v.d. Zee, fiscus R. B. Kuipers)

De praeses opent de vergadering met gebed en leest Ps. 142. Hierna heet hij alle aanwezigen hartelijk welkom.
Hij geeft den abactis gelegenheid de notulen te lezen, en de laatste woorden van den abactis zijn nog niet verklonken of de Heer Dijken verklaart, dat hij buitengewoon getroffen is door de notulen van het dispuut. Maar toch heeft hij nog een aanmerking. Hij ziet niet in waarom de abactis de woorden van den Heer van Smeden niet heeft genotuleerd, die genoemde Heer in zijn openingswoord gesproken heeft.
De Heer van der Zee verdedigt zich door aan te voeren, dat de Heer Dijken aantekeningen voor de notulen maakte voor de verkiezing en dat de fout dus bij hem ligt. De Heer Dijken vindt het een onsympathiek gebaar van den abactis om zijn voorganger te bekladden. De Heer Dijken voelde zich op zijn hoogst secretaris en geen abactis. De Praeses wijst den Heer Dijken erop, dat het toch zijn plicht als secretaris was om voldoende aantekeningen te maken. De Heer Dijken erkent geen schuld en verzoekt nu vriendelijk om vermelding van de woorden van den Heer van Smeden.
De Praeses voldoet aan het verzoek van den Heer Dijken en vraagt den abactis alsnog de woorden van den Heer van Smeden te notuleren in overleg met den Heer Dijken.
De Heer Dijken heeft nog meer kritiek. Hij vindt de notulen veel te lang en daagt den abactis uit om daar nu eens antwoord op te geven. De abactis verdedigt zich door erop te wijzen dat hij alles moet notuleren. Had hij iets overgeslagen dan zou hij  ook op zijn vingers getikt worden, getuige het geval met de rede van den Heer van Smeden.
De Heer Dijken noemt dit smalend het kiezen van de weg met de minste weerstand en kan hier geen waardering voor hebben. Hij vraagt of de abactis bang voor critiek is.
Ook het verslag van de stemmingen vindt hij te lang. Een abactis is niet belangrijk, dus er hoeft maar zeer weinig over geschreven te worden in de notulen. Verder zijn de notulen geen verslag van de vergadering. Een secretaris maakt verslagen, een abactis niet. De abactis verdedigt zich door er op te wijzen dat alles in het begin belangrijk is. Het nageslacht zal zich interesseren voor de geboortesfeer, mos enz van het dispuut. Daarom heeft hij alles genotuleerd. De Heer Oosterhuis gelooft dat het nageslacht zich niet voor ons zal interesseren, daar het ons niet kent. De Heer Dijken is het hier niet mee eens en verklaart, dat de leden over 20 jaar nog bekend zijn, want ze zullen allen op iedere dies verschijnen. Ook de praeses vindt een nauwkeurige notulering zeer belangrijk. De Heer Dijken probeert uit dit antwoord een chauvinistisch slaatje te slaan door te verkondigen dat de gehele sfeer op het dispuut een kwestie van afstamming is. De praeses is oudlid van Caïna; aan bepaalde symptomen is dat al te merken. De Heer Dijken vertelt niet welke die symptomen zijn. Hij ziet een grote invloed van het dispuut Caïna op dit dispuut. Hij zou daarom graag zien dat achter de naam van den praeses in de notulen vermeld kwam te staan oudlid Caïna. De Heer Wielinga wil dan achter zijn naam geplaatst zien: oudlid Sapedur.
De Heer Dijken merkt op, dat van den praeses iets uitgaat. De invloed van Caïna kan niet opzij geschoven worden. Hij stelt anders geen prijs op vermelding. Hij is hier als Veralid. Hij vindt het echter een kwestie van goede notulering.
Ook de Heer Wielinga ziet er wel wat in, maar dan voor alle disputen. De Heer Dijken stelt voor om dit te doen in de notulen bij het verslag van de installatie der leden. De praeses vertelt zich driemaal bij het tellen der stemmen. De Heer Wielinga stelt nu voor om een telcommissie te benoemen die den praeses zal assisteren. Er zijn 6 voor en 3 tegen het voorstel.
De Heren Oosterhuis en Wielinga nemen zitting in deze commissie. De commissie constateert dat er 8 voor het voorstel zijn en 1 tegen.
Onderwijl is een ingekomen stuk op de bestuurstafel neergelegd, dat zeer onduidelijk en slordig geschreven was.
Motie 12-3-47 Dispuut I in vergadering bijeen op 12 maart 1947 spreekt zijn vertrouwen uit in het beleid van den praeses. Getekend door de Heren Koster, Mulder, Oosterhuis en Wielinga.
Deze Heren zijn het niet eens met de wijze waarop de motie gelezen wordt door den praeses.
De Heren Dijken en van der Zee assisteren den praeses waarbij de Heer Dijken wantrouwen en de Heer van der Zee vertrouwen leest.
De Heer Wielinga stelt voor om een commissie te benoemen tot het lezen der motie. Bij stemming zijn er 6 voor en 3 tegen het voorstel.
In de commissie nemen zitting de Heren Dam, Oosterhuis en Wielinga. Al deze Heren lezen wantrouwen. De Heer Dijken suggereert dat de motie gezongen zou kunnen worden door een commissie terwijl de Heer Mulder zou kunnen dirigeren.
De Heer Wielinga ziet hierin een treurzang voor den praeses terwijl de Heer Mulder betoogt, dat de bedoeling van de motie door het zingen nog eens goed naar voren wordt gebracht.
De Heer Wielinga begint er ook iets in te zien en zou graag een goede wijs en een goede voorzanger hebben. De Heer Dijken lijkt hem erg geschikt; deze is echter onder geen enkele voorwaarde bereid om die functie te aanvaarden. De Heer Oosterhuis doet het voorstel om een wijscommissie in te stellen. Er zijn 6 voor en 3 tegen het voorstel, dat dus aangenomen is. In de wijscommissie nemen zitting de Heren Mulder en Eskes. De Heer Mulder moet tot zijn leedwezen verslag uitbrengen dat de wijscommissie geen wijs weet. Hij wil graag een voorzanger. De praeses ziet hiervan de noodzaak niet in. De Heer Mulder heeft de benoeming tot lid van de wijscommissie aangenomen zonder die voorwaarde. Na enige minuten zijn de commissies met de voorbereidingen gereed en wordt de motie gezongen. De praeses bedankt alle commissies voor de bewezen diensten waarna hij de leden dechargeert als lid van de diverse commissies
De Heer van Smeden verheugt de vergadering met zijn “blijde inkomste” en de praeses roept hem een welkom toe. De Heer Wielinga stelt voor om de praeses onbekwaam voor zijn taak te verklaren. De Heer Mulder vindt de praeses vooral onbekwaam in het tellen en zou graag zien dat hij hierin bijlessen zou nemen. Bij stemming zijn er 6 voor en 3 tegen de motie waarbij die dus aangenomen is.
Het bestuur toont zijn homogeniteit door in het geheel af te treden. Bij acclamatie wordt de Heer Koster tot dictator v.c. benoemd. Na 20 minuten chaos, terreur, willekeur en strijd om de macht komt de vergadering tot het besef, dat ze het onder het vorige bewind toch veel beter had. De vergadering verzoekt daarom het bestuur om weer zitting te nemen, waarin het bestuur genadiglijk toestemt. De vergadering heeft geen aanmerkingen meer over de notulen die dus na de veranderingen ondertekend zullen worden.
Na de pauze wordt het reglement behandeld. Na het wijzigen van het ontwerp-reglement, neemt de vergadering het reglement aan en geeft de commissie mandaat om het vast te stellen. De praeses bedankt de commissie voor haar werk en de gastleden voor hun advies bij het vaststellen van het reglement.
De gastleden vertrekken nu en de praeses wenst ze een prettige thuisreis en nachtrust.
Bij de bespreking over de vaststelling van de naam zijn er twee candidaten en wel de namen T.I.M.T.E.T.T. en IXNAΘON,
Met algemene stemmen besluit de vergadering om de naam IXNAΘON te voeren als naam van het dispuut.
Bij de rondvraag berispt de Heer Koster den abactis die een uitnodiging geschreven heeft aan een lid van een ander dispuut.
De Heer Wielinga beklaagt zich erover dat hij als commissielid nog niet eerder op de vergadering gelegenheid heeft gekregen om verslag uit te brengen. De praeses geeft hem nu gelegenheid en de Heer Wielinga moet tot zijn spijt bekennen, dat hij geen verslag uit kan brengen als lid van de commissie ter onderzoek van diverse winden, daar door de vorst er bij de paarden niets op te merken viel. Bij verandering van het weer wil hij echter nog wel eens een poging wagen. De Heer Oosterhuis zal dan als abactis der commissie een verslag maken over de bevindingen. De praeses verzoekt de commissie haar onderzoek voort te zetten en ziet graag dat op de volgende vergadering het verslag voorgelezen wordt.
De Heer Wielinga zou graag willen weten wanneer op de vergaderingen de commissies gehoord zullen worden. De volgende volgorde wordt besloten: Notulen, referaat, pauze, commissies. De Heer Wielinga zou graag als mos willen hebben het dragen van de muts op de dispuutsvergaderingen.
De praeses vindt dit een overtollig gebruik van de muts. De Heer Wielinga stelt voor om met het V.E.R.A. bestuur overleg te plegen. Bij acclamatie wordt dit voorstel aangenomen. Verder worden nog besluiten genomen omtrent enige feestelijkheden naar aanleiding van de komende erkenning door het V.E.R.A. bestuur.
Niets meer aan de orde zijnde sluit de praeses de vergadering met gebed.